verwijten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·wij·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verwijten


verweet


verweten


klasse 1 volledig

Werkwoord

verwijten

  1. (ditransitief) verantwoordelijk gesteld worden voor een gemaakte fout
    Hem werd grote arrogantie verweten.

Zelfstandig naamwoord

verwijten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord verwijt
In een andere taal lezen