vereiste

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·eis·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vereiste vereisten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vereiste o

  1. datgene waar men niet buiten kan
Hyponiemen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

vereiste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van vereist

Werkwoord

vervoeging van
vereisen

vereiste

  1. enkelvoud verleden tijd van vereisen
    • Ik vereiste. 
    • Jij vereiste. 
    • Hij, zij, het vereiste. 
  2. verbogen vorm van vereist, voltooid deelwoord van vereisen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be