verbeteren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·be·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbeteren
verbeterde
verbeterd
zwak -d volledig

Werkwoord

verbeteren

  1. overgankelijk beter maken, de kwaliteit verhogen
    • Zij verbeterden de software daarmee aanzienlijk. 
     Ter voorbereiding op deze tocht had ik het gevoel dat ik mijn overlevingsvaardigheden moest verbeteren.[1]
  2. overgankelijk van fouten ontdoen
    • De leraar verbeterde het proefwerk van een van zijn studenten. 
  3. ergatief beter worden
    • Allengs verbeterde het weer. 
  4. wederkerend zich ~ een zelfgemaakte fout of verspreking rechtzetten
    • Ik bedoelde natuurlijk "Antwerpen", niet "Brussel", verbeterde hij zich. 
Synoniemen
  1. (beter maken)
  2. (van fouten ontdoen)
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be