vastspijkeren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·spij·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastspijkeren
spijkerde vast
vastgespijkerd
zwak -d volledig

Werkwoord

vastspijkeren

  1. overgankelijk met spijkers bevestigen
    • Hij spijkerde de klamp vast met betonspijkers. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be