• trek·ke·bek·ken

trekkebekken [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trekkebekken
trekkebekte
getrekkebekt
zwak -t volledig
  1. verkrampen van het gelaat door pijn, vermoeienis of heftige emoties
     Meteen na de start, meldde ze zich vooraan, pal achter Can, en pal voor Grøvdal en de Zwitserse Fabienne Schlumpf. Maar gaandeweg begon ze van vermoeidheid te trekkebekken en kort daarop groeide het gat met de koplopers, Can, Schlumpf en uiteindelijk ook de Noorse.[3]
  2. verliefd doen
60 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[4]
  1. trekkebekken op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3.   Weblink bron
    Rob Gollin
    “Te grote ambitie kost Krumins een medaille bij EK cross” (9 december 2018), de Volkskrant
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be