tafelschel


Nederlands

 
tafelschel
Uitspraak
Woordafbreking
  • ta·fel·schel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tafelschel tafelschellen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tafelschel v/m [1]

  1. (verouderd) (huishouden) een bel waarmee men het personeel kon laten weten dat men ze nodig had aan tafel
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen