startplek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • start·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord startplek startplekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

startplek v/m

  1. (sport) de plaats die men heeft bij het begin van een wedstrijd
     "Ik ben eraan gewend", aldus Verstappen na de kwalificatie. "In een snelle ronde zijn ze niet bij te houden. Ik heb een abonnement op de derde startplek. Het is wat het is. Meer dan best of the rest zit er op dit moment niet in."[1]
     Kimmann ging andermaal weg van zijn favoriete achtste startplek.[2]
  2. (sport) het recht om te mee te doen aan een wedstrijd
     Verbij, Ntab en Otterspeer pakten ook startbewijzen voor de 500 meter, Nuis en Krol hebben een startplek op de 1.500 meter.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Louis Dekker “Is het voorspelbare polepositionfeest van Mercedes bijna voorbij?” (ZO 16 AUGUSTUS), NOS
  2.   Weblink bron Louis Dekker “Nederlandse BMX'ers zetten de toon in wereldbeker op Papendal” (12-05-2019), NOS
  3.   Weblink bron Louis Dekker “Imponerende Roest en snelle Verbij rijden baanrecords in Thialf” (03-11-2019), NOS