startbewijs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • start·be·wijs
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord startbewijs startbewijzen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

startbewijs o

  1. vergunning om te mogen deelnemen aan een activiteit
     Op de dag dat de vergunningen verstrekt werden zat ik stipt om middernacht klaar met drie computers binnen handbereik om er zeker van te zijn een startbewijs te bemachtigen.[1]
     Sporters die zich al hadden gekwalificeerd voor de Olympische Spelen, mogen volgend jaar niet automatisch meedoen. De nationale comités zullen de atleten opnieuw moeten aanwijzen om ook in 2021 zeker te zijn van een startbewijs.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron “Nationale comités moeten sporters opnieuw aanwijzen voor Spelen” (02-04-2020), Tubantia