schooltijd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • school·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schooltijd schooltijden
verkleinwoord schooltijdje schooltijdjes

Zelfstandig naamwoord

schooltijd m

  1. De levensfase dat men naar school gaat.
  2. De tijden van de dag dat men naar school gaat.


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be