samenstellen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·men·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
samenstellen
stelde samen
samengesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

samenstellen

  1. overgankelijk meerdere uitgekozen zaken tot een geheel maken
    • U kunt uw eigen gerecht samenstellen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

samenstellen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord samenstel

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be