roeping

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roe·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord roeping roepingen
verkleinwoord roepinkje roepinkjes

Zelfstandig naamwoord

roeping v

  1. een taak waarvoor een persoon zich verplicht voelt, vaak met religieuze invloed
    • De roeping van moeder Theresa was er al op jonge leeftijd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be