1. Rocambole, de avonturier waarnaar rocambolesk verwijst.
  • ro·cam·bo·lesk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen rocambolesk rocambolesker rocamboleskst
verbogen rocamboleske rocamboleskere rocamboleskste
partitief rocambolesks rocamboleskers -

rocambolesk

  1. spectaculair, maar haast niet te geloven
    • Het boek eindigt met een rocambolesk verhaal, en ik verwijs hier met opzet naar die ingewikkelde volkse vervolgverhalen waarin bovenmenselijke figuren rondwaren als Rocambole en Fantomas. [2]
11 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[3]