plakkerig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plak·ke·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen plakkerig plakkeriger plakkerigst
verbogen plakkerige plakkerigere plakkerigste
partitief plakkerigs plakkerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

plakkerig

  1. dat iets onaangenaam kleverig wordt
    • Na het pellen van de sinaasappel had hij plakkerige vinges. 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be