onderlip

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·lip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderlip onderlippen
verkleinwoord onderlipje onderlipjes

Zelfstandig naamwoord

onderlip v/m

  1. (anatomie) de onderste van de twee lippen
    • Een lipschotel is een ronde schijf van klei of hout die in sommige Afrikaanse en Amerikaanse culturen traditioneel in een gat in de boven- of onderlip wordt aangebracht om deze op te rekken. 
     Ik keek naar zijn dikke onderlip, die opvallend vlezig leek in zijn smalle gezicht, en waar spuug op glinsterde. Hij had zulke grote tanden en kiezen dat hij zijn lippen niet helemaal op elkaar kreeg. Ik wilde het liefst achteruitdeinzen voor zijn onaangename adem.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Danielle Teller (vert. Marja Borg) “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers  , ISBN 9789026346477
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be