nutsbedrijf

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuts·be·drijf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nutsbedrijf nutsbedrijven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nutsbedrijf o [1]

  1. een bedrijf dat, vaak vanuit een monopoliepositie, opereert in een sector die van openbaar nut is omdat het belangrijke producten of diensten levert die in het algemeen belang zijn (met name gas, water, elektriciteit en openbaar vervoer)
    • Als de grootste Vlaamse politieke partij N-VA haar plannen voor een groot Vlaamse nutsbedrijf voor energie hard wil maken, dan mag het alvast grote weerstand vanuit Limburg verwachten. Ludo Kelchtermans, de topman van Nuhma, de Limburgse intergemeentelijke investeringsmaatschappij, lost vandaag in het Belang van Limburg alvast een schot voor de boeg. [2] 
    • De betrokken gemeenten, uitgezonderd Berkelland, willen de AGEM een impuls geven door bij dat bedrijf vanaf 1 januari 2018 groene en duurzame energie af te nemen. Tot nu toe kochten ze hun stroom en gas collectief in bij een landelijk opererend nutsbedrijf, Greenchoice, maar dat contract loopt met ingang van volgend jaar af. De gemeenten grijpen nu de gelegenheid aan over te verstappen. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard ZATERDAG 18 FEBRUARI 2017
  3. Tubantia Dick Janssen 26-06-2017
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be