nultrap

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nul·trap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nultrap nultrappen
verkleinwoord nultrapje nultrapjes

Zelfstandig naamwoord

nultrap m

  1. (taalkunde) het verschijnsel dat een klinker in een woord in de loop der tijd verdwijnt

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be