meetpunt

Nederlands

 
[2] geografisch meetpunt
Uitspraak
Woordafbreking
  • meet·punt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meetpunt meetpunten
verkleinwoord meetpuntje meetpuntjes

Zelfstandig naamwoord

meetpunt o [1]

  1. plaats waar men meet
    • Zondag stelde het meetpunt van de Amerikaanse ambassade in Delhi de indexwaarde van het aantal (zeer schadelijke) stofdeeltjes met een diameter van 2,5 micrometer of minder op 999: de vervuiling was erger dan het meetsysteem aankon. Meetpunten van Delhi’s Pollution Control Board gaven lagere waarden aan, maar veel inwoners vertrouwen die cijfers niet.[2] 
  2. geografisch referentie punt een plaats waarvan de positie zeer nauwkeurig bepaald is
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joeri Boom 8 november 2016
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be