lidgeld

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lid·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lidgeld lidgelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lidgeld o

  1. lidmaatschapsbijdrage, bijdrage, contributie
    • Hij heeft altijd trouw zijn lidgeld betaald. 

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be