leerlust


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leer·lust
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leerlust leerlusten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leerlust m [1]

  1. het willen leren
    • Ik heb Hans Freudenthal, de wiskundige, eens horen uitleggen wat het verschil is tussen het Nederlandse en het Amerikaanse onderwijs in de kernfysica. Op onze universiteiten verschijnt op de eerste dag voor de eerstejaars de jongste assistent, de amanuensis van de magnetron bij wijze van spreken. In de Verenigde Staten krijgen ze meteen Edward Teller, vader van de waterstofbom, voor de klas. De eerste methode wekt nonchalance en verveling; de tweede prikkelt eerzucht en leerlust. [2] 
    • Daar, in de tuin van het met bloemen overdekte Hotel Esperides, zitten op een van de laatste dagen van september dertien leerlustige vrouwen en een dito man, te luisteren naar de excursiemogelijkheden die de zomerschool naast het lesprogramma in de aanbieding heeft. [3] 
    • Ook een eeuw geleden al werd de bedenker van de leesplank, de uit Stiens afkomstige onderwijzer Hoogeveen, met lof overladen. ‘O, dat leesplankje! Hoe heeft de uitvinder, de heer M.B. Hoogeveen, daarmee en onderwijzers en leerlingen aan zich verplicht! De kinderen nemen nu allen deel aan het onderwijs en ieder heeft wat te doen; ze hoeven niet meer hun beurt af te wachten. ’t Prikkelt den leerlust, ’t bevordert de zelfwerkzaamheid, ’t kweekt attentie, tucht en zorgzaamheid, wat wil je meer?’ [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC H.J.A. Hofland 19 maart 1993 Antwoord
  3. NRC Marjoleine de Vos 6 januari 1998 Zonneklaar Grieks; De taal leren in het land zelf
  4. NRC Cor van der Heijden 'God' is lastig: vanwege de 'd' op het einde die klinkt als een 't'
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be