kniegewricht

Nederlands

 
het inwendige van het kniegewricht
 
het uitwendige van het kniegewricht
Uitspraak
Woordafbreking
  • knie·ge·wricht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kniegewricht kniegewrichten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kniegewricht o [1]

  1. (anatomie) het scharniergewricht tussen het bovenbeen en het onderbeen
    • Pijn in een ontstoken kniegewricht speelt niet vaker op als het koud of vochtig of winderig weer is. Of als het weer omslaat. En acute lage rugpijn ontstaat ook niet vaker bij bepaalde weersomstandigheden, of tijdens weersveranderingen. [2] 
    • Een gebroken oogkas, een zogenoemde blow-out, een kapotte rib, zelfs een overstrekt kniegewricht en een verrekte kuitspier. Het seizoen van snowboardster Cheryl Maas was een klassieker uit het handboek van de sportarts. Het fysieke malheur weerhield de Nederlandse stuntvrouw er niet van vrijdag haar positie in de wereldtop te behouden. Maas (32) werd op de big air, de grote schans voor de echte durfals, zevende van de wereld.[3]  
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Wim Köhler 11 januari 2017
  3. Volkskrant John Volkers 18 maart 2017