kleedruimte


Nederlands

 
kleedruimte
Uitspraak
Woordafbreking
  • kleed·ruim·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleedruimte kleedruimtes
kleedruimten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kleedruimte v

  1. vertrek waar men zich kan omkleden
     In de kleedruimte stuitten we op een boomlange Nederlander, die in een witte badhanddoek was gehuld en oogde als een Romeinse senator.[1]
     Eenmaal weer bij kennis wilde Deelstra naar de kleedruimte lopen, maar bij het opstaan zakte ze opnieuw door haar been. Ze moest vervolgens door begeleiders naar de atletenbus worden gedragen. De afgelopen dagen heeft ze zich noodgedwongen in een rolstoel moeten verplaatsen. Donderdag volgt nader onderzoek in het ziekenhuis.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Michel Krielaars   “Het brilletje van Tsjechov : reizen door Rusland” (2014), Atlas Contact  , ISBN 9789045024875
  2.   Weblink bron “Mysterieuze pijn dwingt marathonloopster Deelstra al twee dagen in rolstoel” (01-10-2019), NOS