kinderhart


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kin·der·hart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kinderhart kinderharten
verkleinwoord kinderhartje kinderhartjes

Zelfstandig naamwoord

kinderhart o [1]

  1. het gevoel, de emoties van een kind
     Maar hoe ik later tranen met tuiten huilde, hoe mijn kinderhartje verging van heimwee, laat ik het daar maar niet over hebben.[2]
     Op internet is er een levendige ruilhandel, voor de deuren van de supermarkt wordt de klant smekend aangekeken en de fanatiekeling gaat zelfs langs de deuren. De hamvraag: ‘Heeft u nog.... voetbalplaatjes?’ Supermarkt Plus ontketent opnieuw een rage waar menig kinderhart sneller van gaat kloppen. En de kassa? Die rinkelt harder dan ooit.[3]
  2. (anatomie) het hart van een kind
Synoniemen


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028261396
  3.   Weblink bron “De magie van het voetbalplaatje” (18-01-2007), Tubantia