kabinetslid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·bi·nets·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kabinetslid kabinetsleden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kabinetslid o

  1. iemand die als minister of staatssecretaris deel uitmaakt van een regering
     Tijdens het apartheidsregime zat Sexwale samen met Nelson Mandela vast op Robbeneiland. Later werd hij hoofd van het ANC en kabinetslid. Als zakenman werd Sexwale multimiljonair. Ook zat hij in de organisatie van het WK in Zuid-Afrika in 2010.[1]
     Een paar uur na de beëdiging van de nieuwe Griekse regering is er al een kabinetslid vertrokken. Het is Dimitris Kammenos, de onderminister van Infrastructuur.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Tokyo Sexwale vijfde kandidaat om Blatter op te volgen” (24-10-2015), NOS
  2.   Weblink bron “Griekse minister stapt al na paar uur op” (24-09-2015), NOS