judicieel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·di·ci·eel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rechterlijk’ voor het eerst aangetroffen in 1570 [1]
  • afgeleid van het Franse judiciel met het achtervoegsel -eel [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen judicieel judiciëler judicieelst
verbogen judiciële judiciëlere judicieelste
partitief judicieels judiciëlers -

Bijvoeglijk naamwoord

judicieel [3]

  1. (juridisch) rechterlijk
  2. tijdens het rechtsgeding, gerechtelijk
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen