ijsstoel


Nederlands

ijsstoel voor dames
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·stoel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsstoel ijsstoelen
verkleinwoord ijsstoeltje ijsstoeltjes

Zelfstandig naamwoord

ijsstoel m

  1. slee die men met twee prikstokken voortbeweegt
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be