Nederlands

 
[2] ijsbok
Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·bok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsbok ijsbokken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ijsbok m [1]

  1. (waterbeheer) houten bescherming van brugpeilers tegen kruiend ijs
  2. (drinken) een Nederlands bier van hoge gisting; een roodbruin bier met een alcoholpercentage van 9%
Synoniemen

Gangbaarheid

46 % van de Nederlanders;
48 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen