halflang

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·lang
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen halflang
verbogen halflange
partitief halflangs

Bijvoeglijk naamwoord

halflang [1]

  1. niet heel lang maar ook niet kort
    • Máxima draagt een jurk met een rode mantel. "De jurk, halflang met dégradé van rood borduurwerk op huidkleurige tule die nauw aansluit rond het lichaam en onderaan wijd uitlopend is", omschrijft Natan het ontwerp.[2] 
    • Een van de twee mannen was klein en gezet en droeg een kort zwart jack. De ander was lang, slank en droeg een halflange donkere jas. Ze spraken met een buitenlands accent.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen