geredeneer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·re·de·neer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geredeneer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geredeneer o [1]

  1. het met woorden en argumenten iets proberen te bewijzen
     Het was hem al vaak overkomen dat hij in haar gezelschap iets begon te betogen of hardop begon te denken, en elke keer antwoordde ze hem met een korte, rake opmerking, waaruit bleek dat het haar niet interesseerde, of met een stille glimlach en een blik, die Pierre eens te meer deden voelen hoe voortreffelijk ze was. Ze had gelijk, dat ze alle geredeneer onzin vond in vergelijking met die glimlach.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen