• ge·kleed
  • vervoeging van kleden: de stam met omvoegsel ge- -d, zonder -d omdat de stam al op -d eindigt
vervoeging van: kleden…
verbogen vorm: geklede

gekleed

  1. voltooid deelwoord van kleden
  2. vormt de voltooide tijden
    • De toeschouwers hadden zich goed gekleed op het slechte weer. 
    • Veel aanwezigen hadden zich gekleed in het oranje. 
  3. vormt de lijdende vorm
    • De figuranten worden gekleed en geschminkt voor de generale repetitie. 
  4. als naamwoordelijk deel van het gezegde gebruikt
    • Iedereen was mooi en passend gekleed. 
    • Ze was in het wit gekleed. 
  5. attributief gebruikt
    • Op tv is een Italiaanse show met schaars geklede vrouwen. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gekleed gekleder gekleedst
verbogen geklede gekledere gekleedste
partitief gekleeds gekleders -

gekleed [1]

  1. netjes, als voorgeschreven
  • Hij is op zijn Paasbest gekleed


100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]