gedraaf


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·draaf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedraaf gedraven
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gedraaf o [1]

  1. het aanhoudend in draf gaan van een paard, hard rennen van mensen
    • Na wat gemekker en heen en weer gedraaf, zijn de schapen op eigen houtje weer teruggekeerd. Het gebeurt volgens de boer wel vaker dat schapen ervandoor gaan. Ze wurmen zichzelf meestel wel weer door het gaas om bij de kudde aan te sluiten.[2] 
    • Volgens seizoen móet Klopp gaan presteren met de Reds. Tot die tijd krijgt hij vermoedelijk het voordeel van de twijfel. En mag iedereen genieten van zijn weergaloze gedraaf langs de lijn.[3] 
  2. (figuurlijk) het aanhoudend haasten, jagen, druk bezig zijn van mensen
    • Dus stop ik vandaag met het gejakker en gedraaf. Ik. Doe. Niks. (Uit te speken op de stellige toon van een zevenjarige die je gevraagd hebt om de tafel af te ruimen).[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen