Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gaal
enkelvoud meervoud
naamwoord gaal galen
verkleinwoord gaaltje gaaltjes

Zelfstandig naamwoord

gaal

  1. v/m nachtegaal of andere schoon zingende vogel
    • Plots gaat een gaal weer klanken sproeien,
      Maar niet als in die ene nacht.
       
  2. m (weverij) een spleet die ontstaat in een gobelin daar waar verschillende kleurvlakken tegen elkaar liggen
    • Afhankelijk van het ontwerp kan de gaal dichtgenaaid worden of open blijven. 
  3. m (religie) een blanke man zonder islamitisch geloof
    • Wanneer Idil Mimay over Maurits vertelt zegt Mimay dat ze bij hem vandaan moet blijven, hij is een gaal, een blanke zonder geloof, die in de hel zal verbranden.[1] 

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. CollegeNet
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be