feestmaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·maal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feestmaal feestmalen
verkleinwoord feestmaaltje feestmaaltjes

Zelfstandig naamwoord

feestmaal o

  1. uitgebreide maaltijd ter gelegenheid van een feest
  2. een uitgebreide maaltijd met een feestelijk karakter
     Barbie en ik sloten ons uren op in de keuken om het feestmaal voor te bereiden. Hij concentreerde zich op het maken van taco’s en ik stortte me op een spinaziesalade, vol noten, geitenkaas en kip. Verder had ik ook artisjokken ingekocht en wat flessen witte wijn.[1]
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be