exameneis

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • exa·men·eis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord exameneis exameneisen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

exameneis m

  1. voorwaarde waaraan een kandidaat moet voldoen om een examen te kunnen halen
    • Slob zegt bij zijn aantreden direct met de rekentoets aan de slag te zijn gegaan. "Juist omdat er tijdsdruk op zat." Het formeel schrappen van de exameneis kost echter wel tijd, stelt de onderwijsminister. Hij moet een algemene maatregel van bestuur maken om de wet te wijzigen en die moet de ministerraad nog goedkeuren. "Ik hoop dat dit voor het kerstreces zal lukken." [2] 
    • "Ik heb zelf vaarbewijs 1 en 2, kortom de koers/positie berekeningen ooit gemaakt. Maar daarna nooit meer omdat er navigatie apparatuur is en zelfs als de Garmin of Raymarine en he iPad of iPhone het niet meer zou doen zou ik de koers/positie berekeningen niet meer kunnen maken. Kortom die exameneis is absurd maar wat nog absurder is dat het vaarbewijs alleen theorie en geen praktijk test kent", schrijft Eduard Sporken. [3] 
    • Dekker is blij met de verbetering, zeker omdat de exameneisen twee jaar op rij zijn aangescherpt. Gevreesd werd dat veel leerlingen daardoor hun diploma niet zouden halen, maar volgens Dekker heeft het hoger leggen van de lat "een positief effect". Volgens hem hebben scholen en leerlingen "goed kunnen inspelen op de scherpere eisen". [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen