Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • event
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord event events
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

event o

  1. grote georganiseerde gebeurtenis
     Olympia's Tour (mannen) en de Healthy Ageing Tour (vrouwen) worden volgend jaar tegelijkertijd verreden. De twee Nederlandse koersen staan op de rol voor dinsdag 9 tot en met vrijdag 12 maart. Dat maakte Courage Event, de organisator van beide wedstrijden, bekend.[2]
     Om 100 procent terug te kunnen naar de situatie voor corona moeten we echt veel verder zijn, dan moet iedereen gevaccineerd zijn of op een andere manier immuun. Maar bepaalde events organiseren die ook lonend zijn voor de branche, dat hopen we wel binnen een paar maanden te kunnen realiseren.[3]
     Ook de Ziggo Dome doet mee, met een dance-event en een concert begin maart. "Ik hoop dat de conclusie is dat we snel weer open kunnen", zegt Damman.[4]
  2. (informatica) een gebeurtenis waarop een programma kan reageren
Synoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. event op website: Etymologiebank.nl
  2.   Weblink bron “Olympia's Tour en Healthy Ageing Tour gaan samen verder” (DO 17 DECEMBER 2020), NOS
  3.   Weblink bron “'Pre-corona gedrag' bij eerste proefevenement, in maart volgen festivals” (MA 15 FEBRUARI 2021), NOS
  4.   Weblink bron “Evenementenorganisator Mojo wil duidelijkheid: 'Vooruitkijken blijkt vaak moeilijk'” (Ook de Ziggo Dome doet mee, met een dance-event en een concert begin maart. "Ik hoop dat de conclusie is dat we snel weer open kunnen", zegt Damman.), NOS


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
event events

Zelfstandig naamwoord

event

  1. gebeurtenis
    «John's party on Friday night is going to be an event unlike any other.»
    John's feest op vrijdagavond wordt een gebeurtenis zoals geen ander.
Vertalingen