doorbijten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·bij·ten
Woordherkomst en -opbouw
Woordherkomst en -opbouw


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorbijten
beet door
doorgebeten
klasse 1 volledig

Werkwoord

doorbijten

  1. overgankelijk bijtend in tweeën verdelen
    • De bougiekabels van zijn auto waren door een steenmarter doorgebeten. 
  2. inergatief ondanks moeilijkheden volharden
    • Hij was achteraf intens blij dat hij doorgebeten had en niet had opgegeven. 
    • Het is even doorbijten, maar dan heb je ook wat.  
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be