doe-het-zelver

Nederlands

'vakbeurs' voor doe-het-zelvers
Uitspraak
Woordafbreking
  • doe-het-zel·ver
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doe-het-zelver doe-het-zelvers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

doe-het-zelver m [1]

  1. iemand die zelf iets doet of maakt wat anderen laten doen door een vakman
    • Buurman en Buurman: Waarom is de reeks zo populair? Door de klassieke slapstick, de prachtige gadgets die de buren bouwen, en door de opgeruimde karakters van de twee. Steeds weer beginnen de doe-het-zelvers vol goede moed aan een klus, die dan al snel gierend uit de hand loopt. En als ze de chaos hebben bezworen, en het toch is gelukt, stort het toch allemaal weer in. De opgewekte klussers zullen echter nooit opgeven. Verder bedenken ze tussen alle blunders door ook altijd innovatieve oplossingen.[2] 
    • Het is het nieuwe steigerhout dat de meeste meubelmakers en bouwmarkten nu gebruiken of verkopen. Niet alleen vanwege de schaarste; het is namelijk een stuk gemakkelijker nieuw steigerhout te bewerken, ook voor doe-het-zelvers. Je zaag gaat niet stuk op de spijkers en er zitten minder splinters in.[3]  
Synoniemen
Antoniemen


Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Wilfred Takken 7 december 2016
  3. NRC Annemarie Sterk 13 november 2016