• die·ren·rijk
enkelvoud meervoud
naamwoord dierenrijk dierenrijken
verkleinwoord

het dierenrijko

  1. (dierkunde) (biologie) de verzameling van alle diersoorten
     Ik eet me een weg door het dierenrijk, zie je. Ik heb al egels, veldmuizen en slangen gehad, maar in al die tijd heb ik nog nooit een doodgewone meeuw gegeten.[2]
     Zebra's hebben misschien wel een van de bijzonderste vachten uit het dierenrijk. Zwart/wit gestreept, alsof ze wandelende streepjescodes zijn. En dat terwijl ze op Afrikaanse savannes leven waar alles bruin, geel, grijs en groen is.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tracy Chevalier
    “Opmerkelijke Schepsels” (2009), Orlando, ISBN 978949208651-8
  3.   Weblink bron “Waarom zebra's strepen hebben (en hoe een paard in een zebrapak dat aantoont)” (21-02-2019), NOS