conatief

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • co·na·tief
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Latijn
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen conatief conatiever conatiefst
verbogen conatieve conatievere conatiefste
partitief conatiefs conatievers -

Bijvoeglijk naamwoord

conatief

  1. (taalkunde) het veroorzaken van handelingen bij de luisteraar
  2. (psychologie) betrekking hebbend op het willen en streven van een persoon
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid