Nederlands

 
bospad
Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·pad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bospad bospaden
verkleinwoord bospaadje bospaadjes

Zelfstandig naamwoord

bospad o [1]

  1. (onverhard) wandelpad door het bos, fietspad door het bos, weggetje in het bos
    • ‘De spontane creativiteit van die taal. Onze omgangstaal is zo uniform en stijlloos geworden, en tegelijk zo respectloos voor het Standaardnederlands. Een taaltje voor druilerige zaterdagen in het shoppingcentrum. Het dialect daarentegen is een glooiend weiland, een beek, een bospad tegelijk. En alle dagen zondag, bij de bomma.’ [2] 
    • De organisatie heeft namelijk het parcours aangepast. De twee kilometer over het asfalt van de Hooidijk zijn vervangen door het bospad dat er parallel aan loopt. ,,Opnieuw een stukje upgrading van het mooie parcours”, zegt mede-organisator Rob Rouwers. Hij is ervan overtuigd dat hij daarmee de lopers een groot plezier doet. ,,Want iedereen komt hier voor de beleving, om samen met anderen plezier te hebben en niet om een snelle tijd neer te zetten.” [3] 
    • Ze stuitten op een Amerikaanse militair, die zich opwond omdat hun auto op een bospad stond. Zijn auto kon er niet langs, terwijl hij even verderop woonde. [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard DINSDAG 24 OKTOBER 2017
  3. Tubantia Alphons Weierink 07-november-2017
  4. Volkskrant Menno van Dongen 13 september 2017
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be