Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • alg
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wier’ voor het eerst aangetroffen in 1663 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord alg algen
verkleinwoord algje algjes

Zelfstandig naamwoord

alg

  1. (plantkunde) in water voorkomende vaatloos, op een plant gelijkend organisme
     Goldie lachte zich gek toen Pogue stug bleef doorblowen tijdens het eten en ik kreeg herhaaldelijk opmerkingen naar mijn hoofd over de kwaliteit van het slijmerige water, dat inderdaad erg vies smaakte door de groene algen.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen