afprijzen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·prij·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afprijzen
prijsde af
afgeprijsd
zwak -d volledig

Werkwoord

afprijzen

  1. iets goedkoper maken
    • Na het afprijzen waren de winkeldochters zo weg. 
  2. goedkoper worden
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be