• af·dwin·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afdwingen
dwong af
afgedwongen
klasse 3 volledig

afdwingen

  1. overgankelijk onder dwang iets verkrijgen
    • Zij verklaarde dat haar huwelijk met een moslim afgedwongen was. 
     Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.[1]
     Ofschoon de gure wind afdwong om veel met haar ogen te knipperen, zag Chantal dat de twee elkaar regelmatig aanraakten.[2]
  2. onweerlegbaar iets bewerkstelligen
    • Hij dwong respect af bij alle medewerkers door de goede resultaten die hij bereikte. 
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]