Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwerk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwerk -
verkleinwoord zwerkje -

Zelfstandig naamwoord

zwerk o

  1. geheel van grote drijvende wolken
    • Het zwerk kwam naar onze richting. 
     Volgens sommige ooggetuigen doorkliefden bliksemschichten het zwerk toen Duitse en Russische pantsertroepen elkaar op 12 juli 1943 bij Prochorovka troffen voor wat bekend is geworden als de grootste tankslag aller tijden.[4]
     Topcameraman Goert Giltay filmde het onheilspellende zwerk als de wolkenluchten op een schilderij van Ruysdael en wisselde die beelden af met extreme close-ups van sprekende hoofden.[5]
  2. geheel van wat zich hoog boven de aarde is
    • Vanaf de Eiffeltoren heeft men een goed uitzicht op het zwerk. 
     In mijn jongere jaren het gouden zweefvliegbrevet. Daarvoor heb ik veertien jaar lang het zwerk afgezweefd.[6]
     Het oude Egypte kende een grote hoeveelheid goden. Boven aan de pyramide stonden titanen als Ra en Osiris. Die waren de hele dag druk met de beweging van de zon langs het zwerk of het ontvangen van zielen in het dodenrijk.[7]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. zwerk op website: Etymologiebank.nl
  3. "zwerk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4.   Weblink bron Bart Funnekotter “Nazi’s tegen Sovjets: de grootste tankslag aller tijden is gekrompen” (3 juli 2020) op nrc.nl
  5.   Weblink bron Hans Beerekamp “Onheilspellend zwerk hangt over Wieringen” (3 juli 2014) op nrc.nl
  6.   Weblink bron Kees Momma “Het beste van Kees. Doel” (27 december 2014) op nrc.nl
  7.   Weblink bron Bart Funnekotter “Bes: een boze dwerg die de mens bijstaat” (1 november 2019) op nrc.nl
  8.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be