zesentwintigjarig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zes·en·twin·tig·ja·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen zesentwintigjarig
verbogen zesentwintigjarige
partitief zesentwintigjarigs

Bijvoeglijk naamwoord

zesentwintigjarig

  1. 26 jaren durend
    • Gedurende dit zesentwintigjarig tijdperk werd er geen oorlog gevoerd. 
  2. met de leeftijd van 26 jaar
     De zesentwintigjarige Salah, die nog steeds voortvluchtig is en zich enkele dagen in Molenbeek verschanst hield, was eveneens bij het bloedbad betrokken.[1]
     De zesentwintigjarige Emma Verrill is sinds haar vijftiende verlamd.[2]
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Trees Vandamme “‘Jihadbroeder’, of hoe het woord de lading dekt” (18/11/2015), De Standaard
  2.   Weblink bron Remco Slump “Verlamde vrouw: 'Chevrolet-stoelverwarming gaf mij brandwonden'” (20 aug. 2014), De Telegraaf