zegenend

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ge·nend

Werkwoord

vervoeging van: zegenen
verbogen vorm: zegenende

zegenend

  1. onvoltooid deelwoord van zegenen
stellend
onverbogen zegenend
verbogen zegenende
partitief zegenends

Bijvoeglijk naamwoord

zegenend

  1. bezig met anderen de zegen te geven
    • Het jeugdwerk van de Italiaanse meester is afkomstig uit de collectie van het de Pinacoteca Tosio Martingengo in Brescia. Eerder werd bekend dat ook een andere Rafaël uit dit museum, de Zegenende Christus, naar Enschede komt. [1] 
    • Hij roemt de toespraak van Aboutaleb na Charlie Hebdo ('Als het je hier niet bevalt, dan rot je toch op'). "Het politiek correcte deel hier in Den Haag kreeg het de strot niet uit, maar Aboutalebs woorden hadden een ongelooflijk zegenende werking." [2] 
Anagrammen

Gangbaarheid

Verwijzingen