woningbestand

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wo·ning·be·stand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woningbestand woningbestanden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

woningbestand o

  1. geheel van huizen en andere woningen dat op een bepaald moment aanwezig is
    • Eindelijk lijkt het probleem bij de wortel te worden aangepakt, zegt energiedeskundige Joop Oude Lohuis van duurzaam adviesbureau Ecofys. Om energieverbruik en CO2-uitstoot van het gezamenlijke Nederlandse woningbestand serieus omlaag te brengen, moet je de bestaande bouw aanpakken, zegt hij. „Het probleem ligt niet bij nieuwbouw, dat weten we al lang.” [1]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen