windscherm

Nederlands

 
betonnen windscherm bij de Calandbrug
Uitspraak
Woordafbreking
  • wind·scherm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord windscherm windschermen
verkleinwoord windschermpje windschermpjes

Zelfstandig naamwoord

windscherm o [2]

  1. een scherm dat de (rij)wind (gedeeltelijk) tegenhoudt
    • Volgens de familie ligt Mathias Messi in het ziekenhuis te wachten op een operatie. Hij zou zich in zijn gezicht hebben gesneden toen hij op een zandbank voer en tegen het windscherm stootte, en daarbij ook een gebroken kaak hebben opgelopen. Dat is ook het verhaal dat hij heeft verteld aan een beveiliger van een private visclub vlakbij zijn huis in Argentinië.[3] 
    • Na drie bochten wist Henk het zeker: ’Hier ga ik dus mooi niet op een fiets naar boven’. Hij ging toch, want dat is zo opvallend aan de fietsgekken des vaderlands: ze kennen allemaal de pijn van het afzien, ze verklaren zichzelf op gezette tijden voor gek, maar ze stappen altijd weer op. Loopt de weg vlak, dan kruipt Henk graag achter de brede rug van Martijn. Maar op die vermaledijde cols heb je niks aan een windscherm in de vorm van je zoon.[4] 
    • Het windscherm van de huidige politiemotoren is te laag. Hierdoor kunnen agenten doof worden. Daarvoor waarschuwen tientallen motoragenten.[5] 
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. windscherm op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. de Telegraaf 01 dec. 2017
  4. de Telegraaf BERT DIJKSTRA EN RAYMOND KERCKHOFFS 15 apr. 2017
  5. de Telegraaf DANIËL VAN DAM 17 feb. 2017