1. Een wegenschaaf in Tsjechië.
  • we·gen·schaaf
enkelvoud meervoud
naamwoord wegenschaaf wegenschaven
verkleinwoord - -

de wegenschaafv / m

  1. rijdend apparaat dat een onverhard wegdek vlak maakt
     In mei van dit jaar werd de Leppeweg eindelijk verhard. Daar zijn we zeer blij mee, maar aan onze weg gebeurde niets. Nou ja niets, er is een enkele keer een wegenschaaf gekomen om de bovengrond vast te drukken. Maar dat helpt niets, want de tractoren scheuren binnen de kortst mogelijke tijd alles weer los.[1]
     Met acht sneeuwploegen, waaronder twee wegenschaven, is men in de vroegte al begonnen met liet schoonmaken van de wegen en straten.[2]
  1.   Weblink bron Fam. Grevink aan Eggelmorsweg bijna van buitenwereld afgesneden in: Tubantia, jrg. 99 nr. 258 (3 november 1970), Van der Loeff, Enschede, p.3 kol. 5
  2.   Weblink bron Anti-slip: 20 ton zout 120 kub. zand in: Arnhemsche Courant  , jrg. 144 nr. 21544 (26 februari 1958), C.A. Thieme, Arnhem, p.7 kol. 1