wanbetaling

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wan·be·ta·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wanbetaling wanbetalingen
verkleinwoord wanbetalinkje wanbetalinkjes

Zelfstandig naamwoord

wanbetaling v

  1. het niet voldoen aan de betaalplicht

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen