• tem·po·raal
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen temporaal temporaler temporaalst
verbogen temporale temporalere temporaalste
partitief temporaals temporalers -

temporaal

  1. (medisch) met betrekking tot de schedelbotten aan de zijkant van het hoofd, bij de slapen. (de 'os temporale').
  2. met betrekking tot de tijd, tijdelijk ??
89 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[2]